Evaluatiebeleid en rapporten

Rapport over het dagelijks werk

  • Elke vakleraar duidt het resultaat van de evaluatie aan door middel van een percent. De evaluatie steunt op het persoonlijk werk van de leerling: notities, taken, lestoetsen, herhalingstoetsen en grotere opdrachten. In de eerste graad wordt het persoonlijk werk telkens aangekondigd in het planningsdeel van de schoolagenda.
  • De resultaten op de taken en lestoetsen geven een beeld van de onmiddellijke verwerking en de studie-inzet. Opdrachten en herhalingstoetsen zijn representatiever en peilen meer naar de beheersing van vaardigheden en de verwerking van de leerstof. Het ligt voor de hand dat opdrachten en herhalingstoetsen zwaarder doorwegen dan lestoetsen die peilen naar een beperkte hoeveelheid leerstof. Het vermelde percentage is daarom niet louter terug te voeren tot het gemiddelde van alle uitslagen van testen en taken.
  • Het rapport over het dagelijks werk geeft een tussenstand weer telkens vanaf het begin van het semester en sluit geen periode af.
  • Het totaalpercentage wordt berekend op basis van de vakpercenten waarbij het aandeel van elk vak bepaald wordt door het aantal wekelijkse lestijden; dit aantal wordt weergegeven door middel van het cijfer naast het vak.
  • In de derde graad worden er voor het seminarievak, het keuzevak en het vak esthetica enkel op het semesterrapport punten toegekend.

Rapport over het semester

  • Tweemaal per jaar leggen de leerlingen proefwerk af over grote leerstofgehelen. De beoordeling van deze proefwerken wordt in percenten weergegeven. Daarnaast krijgt de leerling per vak een totaalpercent van dagelijks werk van het semester. Dit totaalpercent wordt berekend op basis van een gemiddelde van alle evaluatiegegevens van het semester.
  • Voor de vakken beeld, drame, muziek, techniek en lichamelijke opvoeding zijn er geen proefwerken. Deze vakken richten zich op het verwerven van vaardigheden en attitudes, de evaluatie volgt dan ook het proces en de groei van de leerling en steunt op een gespreide beoordeling van de leervorderingen.
  • De moderne vreemde talen Frans en Engels hanteren een evaluatiebeleid op basis van gespreide evaluatie. Dit heeft als belangrijk gevolg dat het klassieke onderscheid tussen dagelijks werk en proefwerk wijzigt. De bouwstenen worden verwerkt bij dagelijks werk (2/3 van de totaalscore). De taaltaken komen in de plaats van de proefwerken (1/3 van de totaalscore). Tijdens de proefwerkenreeks wordt er een uitgebreide taaltaak gegeven.
  • De verhouding tussen proefwerk en dagelijks werk is als volgt:
    • 1ste, 2de, 3de en 4de jaar: dagelijks werk 50% – proefwerk 50%.
    • 5de en 6de jaar: dagelijks werk 34% – proefwerk 66%.

    Met deze verhouding willen wij binnen een semesterstructuur in de eerste en de tweede graad het belang onderstrepen van procesevaluatie: leerlingen bouwen hun leerstof op en trainen hun vaardigheden in de loop van het schooljaar. In de derde graad verschuift de klemtoon meer naar de proefwerkevaluatie om de leerlingen geleidelijk voor te bereiden op het hoger onderwijs. Voor het vak Nederlands in de derde graad zijn de vaardigheden volledig ondergebracht in het dagelijks werk. Het proefwerk Nederlands is een zuiver leerstofexamen. De verhouding voor Nederlands in het 5de en het 6de jaar is dan ook: dagelijks werk 66% – proefwerk 34%.

Een rapport zonder gemiddeldes

  • We kiezen hier voor een leerlinggerichte aanpak en een rapport op maat van de leerling. Een rapport is het resultaat van de inspanningen en talenten van een leerling. Dit geeft een beeld van zijn/haar vordering in het vak en niet over zijn/haar positie tegenover de toevallige groep. In een gesprek kan gepeild worden naar de tevredenheid, de inspanningen en de mogelijkheden van de leerling. De commentaar van de klasleraar (gesteund door de commentaar van de vakleerkrachten) kan een bepaald resultaat in perspectief plaatsen. Een klasgemiddelde verwijst naar een norm van een toevallige, arbitraire groep, het gaat hier dus over een valse vergelijking. De echte norm wordt bepaald door het leerplan van het vak.
  • Algemeen kan gesteld worden:
    • resultaat < 50% = manifest onvoldoende
    • resultaat 50% – 60% = zwak
    • resultaat 60% – 70% = voldoende tot goed
    • resultaat 70% – 80% = heel goed tot uitstekend
    • resultaat 80% – 90% = schitterend
    • resultaat > 90% = uitmuntend
  • In een zwakke groep leidt een klasgemiddelde tot een te sterke of ronduit foute relativering. In een kleine groep is een gemiddelde gewoon niet relevant. In een sterke groep leidt een klasgemiddelde tot frustraties bij leerlingen die minder begaafd zijn. Perfectionistisch ingestelde leerlingen gaan gebukt onder het juk van het klasgemiddelde in een sterke groep. Ouders stellen ook vaak onterecht verwachtingen. Faalangstigen lijden echt onder de dwang van het klasgemiddelde.
    Onderpresteerders zouden gebaat kunnen zijn met een klasgemiddelde maar ouders en leerlingen zijn meestal prima op de hoogte van het feit dat een resultaat beter zou kunnen mits…
  • De klasgemiddeldes blijven beschikbaar voor elke leraar. Een leraar of klasleraar kan steeds oordelen om dit klasgemiddelde kenbaar te maken aan de klasgroep, aan een leerling of aan een ouder. Een klasgemiddelde is echt geen geheim maar we vermelden het niet meer systematisch op een rapport in het belang van de leerling. Bij een semesterrapport wordt wel het jaarresultaat van de leerling van vorig leerjaar vermeld en zo kan elke leerling zijn/haar resultaten plaatsen in het perspectief van de loopbaan.

Een schooljaar met twee proefwerkreeksen

  • We kiezen bewust voor een semestersysteem van het eerste tot het laatste jaar met twee proefwerkreeksen. In het semestersysteem werken we op de volgende manier: vaardigheden inoefenen, leerstof verwerken, geregeld lestoetsen rond studie-inzet, herhalingstoetsen en tenslotte proefwerken. De aandacht moet hierbij zeker gaan naar de herhalingstoetsen: zij peilen naar de vorderingen en brengen structuur aan in het semester; aan de hand van deze toetsen krijgen de leerlingen de kans om zich bij te sturen.
  • Het aantal proefwerkdagen per schooljaar wordt vastgelegd door de overheid. Een semestersysteem biedt het voordeel dat er voor elk vak voldoende proefwerktijd kan voorzien worden, anders moeten de leerlingen veel vaker twee proefwerken per dag afleggen, wat belastend is voor hen. Wij kiezen voor twee reeksen met volwaardige proefwerken voor alle vakken – ook voor de vakken met een klein aantal lestijden per week – en met de mogelijkheid om mondelinge proefwerken te organiseren tijdens de reeks. In het schooljaar verkrijgen we zo een goede verhouding tussen lestijd en proefwerktijd en kunnen de twee proefwerkreeksen telkens grondig voorbereid worden door de vakleraars.

Jaarrapport

  • Op het jaarrapport worden alle resultaten van het schooljaar verzameld. Het eerste semester telt voor 4/10 van het jaartotaal, het tweede semester voor 6/10. Dit jaarrapport legt het resultaat van de leerling voor het schooljaar vast en op basis hiervan wordt het attest en het advies bepaald.
  • Duiding van de klasleraar: bij elk cijferrapport geeft de klasleraar namens de klassenraad een duiding. Deze commentaar betreft de behaalde resultaten, de leer- en leefhouding en de leermogelijkheden. Via deze duiding kan de klassenraad aandachts- en werkpunten meegeven rond attitude en leerstrategieën.
  • Duiding van de leerling, duiding van de ouder(s):
    De leerling wordt uitgenodigd om zelf voor de spiegel te gaan staan en na te denken over zijn/haar resultaten, zijn/haar studie-aanpak en leefhouding op school. Via deze weg kan de leerling ook antwoorden op de commentaar van de klasleraar. Ook ouders kunnen hier hun kijk op de resultaten, de leerhouding en de sociale houding aan de klasleraar meedelen. Op deze manier kan het rapport als een communicatiekanaal gebruikt worden tussen leerling, klasleraar en ouders.